Bosos 2-4 uitproberen?


Vraag een proeflicentie aan
Uitproberen van BOSOS 2-4 niet nodig?
Direct een licentie aanvragen

Vraag een proeflicentie aan


School gegevens 
Naam school *
Plaats *
Telefoon *

Gegevens voor Bosos 
Geslacht contactpersoon   
Voornaam contactpersoon *
Tussenvoegsel contactpersoon
Achternaam contactpersoon *
E-mail contactpersoon *
Geslacht beheerder                                      (indien anders dan contactpersoon)
Voornaam beheerder    (indien anders dan contactpersoon)
Tussenvoegsel beheerder    (indien anders dan contactpersoon)
Achternaam beheerder    (indien anders dan contactpersoon)
E-mail beheerder    (indien anders dan contactpersoon)
* verplicht

Koppeling met Parnassys
Scholen die met Parnassys werken kunnen gebruik maken van de koppeling met BOSOS2tot4. Omdat er nog veel onduidelijk is over de manier waarop peuters worden opgenomen in Parnassys kunnen wij die koppeling voor BOSOS2tot4 met Parnassys nog niet aanbieden. Ook als dat wel mogelijk wordt dan is de koppeling met Parnassys niet beschikbaar gedurende de proeflicentie.

Invoer gegevens
De proeflicentie biedt de mogelijkheid maximaal 10 gebruikers in te voeren. Er staan 50 testkinderen in. Die gegevens kunnen worden bewerkt en de namen kunnen worden gewijzigd in gegevens van de kinderen van de organisatie. Dit is bedoeld om te laten zien hoe dat gaat in BOSOS2tot4.
De observatiegegevens kunnen niet worden meegenomen in de echte licentie. Observaties kunnen wel worden geprint voordat de gegevens uit de proefperiode worden verwijderd.

Na ontvangst van deze aanvraag zullen wij de gegevens z.s.m. invoeren in BOSOS2tot4. U kunt BOSOS2tot4 op proef uitproberen gedurende drie maanden. Daarna krijgt u de vraag of u de proeflicentie om wilt zetten in een licentie. Wanneer u tevreden bent gaat de licentie in. U ontvangt dan het aanvraagformulier daarvoor. Wanneer u niet tevreden bent wordt de licentie zonder kosten beëindigd.

Voor vragen:
Ellen Voogt, 06 3906 42 52

1

De elementen van het BOSOS 2-4 programma

Het BOSOS 2-4-ontwikkelingsmodel bestaat uit de volgende elementen.
  • De intake. Bij de intake wordt naast de officiële gegevens gevraagd naar omstandigheden en gebeurtenissen in de voorgaande jaren van het leven van het kind zoals gezondheid, therapieën, huiselijke omstandigheden, voertaal thuis. Steeds is daarbij de vraag welke invloed bepaalde kenmerken/gebeurtenissen zou kunnen hebben op het functioneren van het kind op de peuterspeelzaal. Deze intake wordt herhaald bij de overgang naar de basisschool en kan dan dienen als intake voor de basisschool.

  • Aandacht voor het wenproces. Als het kind 2.2 jaar op de peuterspeelzaal of kinderdagverblijf wordt, wordt onderzocht of het kind al gewend is. Voelt het kind zich veilig en heeft hij vertrouwen in de leidsters? Komt het kind later op de peuterspeelzaal of kinderdag verblijf dan wordt het wenproces onderzocht na twee maanden.

  • Uitgebreide observatie: bij 2.3 jaar.
    Een goede analyse van de start van een kind op de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf is de basis voor de zorg van een kind door de jaren heen. Op welk gebied lagen de eerste signalen van zorg? De leidster zal na de observatie moeten bepalen in hoeverre zij zich al zorgen moet maken over de ontwikkeling van het kind en of zij al extra actie moet ondernemen.

    Bij 2.9 jaar, 3.3 jaar en 3.9 jaar vindt ook zo'n uitgebreide observatie plaats om zo de verdere ontwikkeling van het kind te volgen.

  • Tussentijdse observatie bij 2.6 jaar, 3.0 jaar en 3.6 jaar. Hier worden de doelen die bij de vorige observatie(s) nog niet goed waren, opnieuw geobserveerd om te zien of die nu wel gehaald zijn. Het is ook mogelijk dat die doelen nog steeds niet gehaald zijn. Die doelen worden dan weer naar de volgende observatie doorgeschoven. Achter die doelen komt dan in rood te staan dat er actie gewenst is.

  • Drie hoofdontwikkelingslijnen
    Er zijn 15 ontwikkelingslijnen, die gecomprimeerd worden tot 3 hoofdontwikkelingslijnen:
    1. Visueel-motorische ontwikkeling
    2. Taal- en cognitieve ontwikkeling
    3. Sociaal-emotionele ontwikkeling
    Op die manier kan de leidster alle gegevens uit de observatie gemakkelijk clusteren. Deze hoofdontwikkelingslijnen vormen dan de basis voor goed aanbod voor het kind.

  • Een voorbeeld van een in de praktijk getoetst groepsplan.

  • Toelichting bij elke observatie. Bij elke observatie wordt een toelichting gegeven. In die toelichtingen worden de theorie en de interpretaties achter de observaties beschreven.

  • De overgangsobservatie bij 4.0 jaar naar de basisschool.
    Bij deze observatie worden de doelen van de observatie van 3.9 herhaald. De leidster kan dan aangeven welke doelen in de periode van 3.9 jaar tot 4.0 jaar alsnog gehaald zijn, om een zo recent mogelijk eindverslag te hebben voor de basisschool. Indien de basisschool ook met BOSOS werkt, kan het dossier van het kind direct geplaatst worden in het dossier van de basisschool.

  • Globale observatie voor kinderen die zich conform de tussendoelen ontwikkelen en een specifieke observatie voor kinderen die zich minder goed ontwikkelen. Elke leerlijn bestaat uit een basisobservatie (vetgedrukt) en specificaties van die basisobservatie. Weet de leidster zeker dat het basisitem goed is, dan hoeft zij niet de specificaties te observeren. Een goede tijdsbesparing voor de betere kinderen.

  • Automatisch doorschuiven naar de volgende observatie van doelen die nog niet goed zijn. Een doel dat nog niet goed is, wordt automatisch doorgeschoven naar de volgende observatie. Eerst met een oranje waarschuwing van gericht volgen en bij de tweede keer met een rode waarschuwing van actie gewenst. De leidster weet direct waar zij aan toe is en kan daar haar zorg op afstemmen. Ook de ouders kunnen nu direct zien hoe de ontwikkeling van hun kind is en waaraan de leidster extra aandacht gaat besteden. Ouders kunnen zo ook gericht meewerken aan de ontwikkeling van hun kind!

    NB. Alleen bij de observatie bij 2.3 jaar wordt de leidster bij nog niet beheerste doelen voor de keuze gesteld of zij gericht gaat volgen of dat zij direct in actie moet komen, als zij de ontwikkeling op dat gebied als zorgelijk ervaart.

  • Integratie van de uitslagen van de screeningen (CITO).
    Er bestaan Cito's voor Peuters. Indien die worden afgenomen, kunnen die ingevoerd worden in het BOSOS model: de uitslagen van Cito P1 voor Taal en Rekenen worden dan toegevoegd aan de observatie van 3.3 jaar en de Cito P2 aan de observatie van 3.9 jaar

    De uitslagen op de Cito hebben steeds een vergelijkingsfunctie:
    1. vergelijking observatie en Cito;
    2. vergelijking met de uitslag van vorige Cito's;
    3. vergelijking tussen de Cito's onderling.

  • Praktische overgangsrapportage naar de basisschool
    Doel van de overgangsrapportage is dat de ontwikkeling van het kind bij de overgang naar de basisschool zo min mogelijk stagneert en dat de leerkracht van groep 1 op basis van de gegevens van de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf direct aan de slag kan gaan.

    Bij de overgang wordt de volgende documenten meegestuurd:
    • de officiële intake;
    • de startgegevens, zoals bij de intake bij de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf en de beschreven staan, worden nogmaals langsgelopen. Bij de overgang is dan belangrijk welke invloed bepaalde startgegevens hebben op de ontwikkeling van het kind.
    • de eindobservatie van 4.0 jaar met de Citogegevens (indien die zijn afgenomen) erbij.

    NB. Voor scholen die ook het BOSOS kleuterontwikkelingsmodel gebruiken is de 4.3 jaar observatie gelijk aan de eindobservatie van de peuterspeelzaal. of het kinderdagverblijf. De doorgaande lijn wordt zo op een praktische manier zichtbaar. De leidster van de speelzaal en de leerkracht van groep 1 van de basisschool kunnen nu eenvoudig hun observaties vergelijken.

  • Analyse van de opbrengsten op groepsniveau en aanpassing van het aanbod, indien nodig. De groepsoverzichten worden zichtbaar gemaakt bij de rapportages.

  • Basis voor de kleine kringen is direct zichtbaar.
    Met behulp van de analyse van de rapportages kan de leidster direct groepen voor de kleine kring maken om voor bepaalde onderdelen van de ontwikkeling extra aandacht te geven.

  • Automatische agendering van de observaties en gemakkelijke aanpassing van die agenda indien nodig. De leidster krijgt aan het begin van elke maand een mailtje met de namen van de kinderen die zij moet observeren. Zij kan wel veranderingen aanbrengen in de agenda. De namen van het kinderen die later geobserveerd worden, worden met rood gemarkeerd en die eerder geobserveerd kunnen worden met groen. De leidster kan een maand doen over de observatie.

  • Directe communicatie tussen leidster en begeleider via de mailfunctie in BOSOS 2-4.